| home/news | chat | photolog | sitemap | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De Stem van de StilteDe wereld achter het werk
Ingmar de Boer |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inleiding
H.P. Blavatsky's De Stem van de Stilte is een werk waarin krachtig geformuleerde aanwijzingen staan voor de reiziger op het pad naar wijsheid.2 Het heeft een grote poëtische kwaliteit. De boeken en artikelen die over de Stem zijn geschreven sinds zijn verschijnen, zijn meestal "tekstuitleggingen" van de Stem. Meer dan eens worden daarbij de achtergronden van het werk vergeten, waardoor de interpretaties subjectief van karakter kunnen zijn. In de loop van de tijd zijn de heersende opvattingen in de oriëntalistiek (boeddhologie), zodanig voortgeschreden, dat het voor de lezer steeds moeilijker wordt het werk in zijn context te zien. Veel van de oosterse termen die in de Stem worden gebruikt zijn niet terug te vinden in hedendaagse woordenboeken of studieboeken, waardoor verbanden met moderne literatuur niet gemakkelijk meer kunnen worden gelegd. Ook de verspreiding van verschillende vormen van boeddhisme in het Westen heeft voor een begripsontwikkeling gezorgd die het niet altijd makkelijker maakt de terminologie uit theosofische werken zoals de Stem juist te interpreteren. Als we voor het eerst kennismaken met de Stem worden we al snel overvoerd met deze grote hoeveelheid technische termen uit ogenschijnlijk zeer uiteenlopende context. We kunnen zelfs gemakkelijk de indruk krijgen dat de vertaalster, H.P. Blavatsky (hierna: HPB), met opzet de oosterse begrippen zo heeft gekozen dat we het werk niet onmiddellijk in verband kunnen brengen met één specifieke denkrichting. Ze geeft in het voorwoord wel veel aanwijzingen over de context van de Stem, maar ook die zijn verre van eenduidig. Een doel van dit artikel is dus, de kluwen van termen enigszins te ontrafelen, en heldere aanknopingspunten te geven voor verdere studie van de Stem. De zoektocht naar de brontekst van de Stem, zoals Spierenburg die heeft ingezet, is daarvoor een goede aanleiding. Ik wil u dan nu meenemen in de denkwereld van de Stem in dit artikel, dat om praktische redenen bestaat uit drie delen. In deel I bekijken we de totstandkoming van de Stem en het voorwoord, in een poging daaruit zo goed mogelijk een beeld te construeren van de oorsprong van de aforismen, zoals HPB die zelf heeft gegeven. In deel II gaan we de herkomst na van de in de Stem gebruikte technische termen, en vormen we een beeld van de denkwereld van de Stem. In deel III proberen we verder aan de hand van de analyse uit de twee eerste delen een concreet idee te formuleren omtrent de oorsprong van de Stem.
Afdeling I: De totstandkoming van de Stem
De plaats van de Stem binnen het werk van HPB
Het schrijven van de Stem
Er zijn volgens HPB allerlei versies van het Boek van de Gulden Voorschriften in verschillende oosterse talen, en in een mysterietaal, het Senzar. De brontaal echter, waaruit HPB deze verhandelingen heeft vertaald, was het Telugu, een Zuidindiase taal. Dit schrijft ze althans in een brief aan haar nicht, Vera Jelihovsky. Waarom ze juist uit deze taal zou hebben vertaald is niet bekend. Uit de betreffende passage uit de brief blijkt wel, dat ze vertalen uit het Telugu niet zo‘n bijzondere prestatie vond: Het zijn zeker grootse aforismen. Dat kan ik zeggen, omdat je weet dat ik ze niet zelf heb bedacht! Ik heb ze alleen vertaald uit het Telugu, het oudste Zuidindiase dialect. Er zijn drie verhandelingen, over ethiek, en de ethische beginselen van de Mongoolse en Dravidische mystici.7 We zouden dus kunnen veronderstellen dat ze een tamelijk goede beheersing van het Telugu moet hebben gehad. Uit de geciteerde passage blijkt ook, dat ze de tekst pas vertaalde bij het samenstellen van de Stem en de tekst dus uit het hoofd heeft geleerd in de brontaal. Tijdens haar verblijf in Fontainebleau zou ze deze dan vervolgens hebben vertaald in het Engels. C.W. Leadbeater, die haar goed kende, geeft echter aan dat het een bekend gegeven was dat HPB geen enkele oosterse taal beheerste behalve Arabisch.8 Ook de zin over de "Mongoolse en Dravidische mystici" maakt het vraagstuk omtrent de brontekst bepaald niet helderder. Leadbeater meent dat ze de Stem niet zou hebben vertaald, maar wellicht doorgekregen "via het mentale lichaam". Op die manier komt wel de betekenis door, maar de ontvanger moet deze vervolgens nog in eigen woorden weergeven. Dit is een techniek die vooral toegepast zou zijn bij het schrijven van De Geheime Leer. Een blik op het manuscript van de Stem bevestigt overigens dat het werk niet zonder meer is vertaald. Ik zou dat misschien nog eens kunnen uitwerken in een toekomstig artikel in Theosofia. Zou de Stem dan inderdaad, net als De Geheime Leer, volgens een proces van geïnspireerd schrijven tot stand zijn gekomen? In HPB, Tibet and Tulku beschrijft Geoffrey Barborka een zevental verschillende methoden van geïnspireerd schrijven, die alle door HPB - soms afwisselend - werden toegepast:
1. Descriptief schrijven
Voor meer details over elk van deze methoden zij verwezen naar dit bijzondere werk van Barborka. Het manuscript van de Stem is geschreven in HPB's eigen handschrift. Daardoor is precipitatie als methode hier hoogstwaarschijnlijk niet aan de orde. Evenzo geldt dit voor overschaduwing. Gedicteerd schrijven is ook niet waarschijnlijk, gezien het feit dat er tijdens het schrijven allerlei correcties zijn aangebracht, zoals we kunnen zien aan het manuscript van de Stem. Ook descriptief schrijven lijkt onwaarschijnlijk, omdat daarbij haar eigen kennis over het onderwerp primair zou zijn en dat lijkt hier, zoals we hebben gezien, niet het geval. Schrijven via instructie betekent dat ze niet alleen zou zijn, of dat ze briefjes kreeg, soms per post, soms geprecipiteerd, van de mahātma's met wie ze in contact stond. Uit het verslag van Besant over hoe HPB bezig was met schrijven aan de Stem kunnen we opmaken dat dit toen niet het geval was. Ze schreef "zonder een kopie" voor zich. Iets vergelijkbaars geldt voor het schrijven door psychometrie. In dat geval is er een voorwerp waaraan informatie wordt ontleend. Dan blijft van deze zeven methoden alleen over, schrijven geleid door helderziendheid, als de voornaamste manier waarop de Stem tot stand kan zijn gekomen. Dit is de manier die ook Leadbeater aangeeft. HPB beschrijft in verband met De Geheime Leer aan haar vriendin Constance Wachtmeister hoe een dergelijk proces plaatsvindt: Weet je, wat ik doe is het volgende. Ik maak iets wat ik alleen kan beschrijven als een soort vacuum in de lucht voor mij, en richt mijn blik en mijn wil erop, en al snel komt scene voor scene langs als de opeenvolgende beelden van een kijkdoos, of, als ik een verwijzing nodig heb of informatie uit een boek, concentreer ik mij, de astrale tegenhanger van het boek verschijnt en ik neem eruit wat ik nodig heb. Hoe beter ik mijn geest vrij kan maken van afleidingen en fixaties, hoe meer energie en concentratie er is, hoe makkelijker me dit lukt.10 Leggen we ons neer bij het feit dat de tekst van de Stem misschien geen getrouwe vertaling is van welke brontekst dan ook, dan hebben we hierin misschien niet direct reden positief gestemd te zijn over het terugvinden van deze brontekst.
Datering en omvang van de brontekst
In deze passage uit het voorwoord vinden we een aanwijzing omtrent de datering van het Boek van de Gulden Voorschriften. Uit de opmerking "sommige zijn voor-Boeddhistisch en andere van latere datum" kunnen we destilleren dat het Boek van de Gulden Voorschriften zelf niet prehistorisch is, zoals weleens wordt gedacht. Onder de boeken van Kiu Te zijn volgens HPB wel bijzonder oude geschriften (prehistorisch), en de boeken van Kiu Te zelf zijn gebaseerd op een ouder werk, het Boek van de Geheime Wijsheid van de Wereld.12 Dat werk zou dateren van ongeveer 4,5 miljoen jaar geleden, maar dit moeten we wellicht niet letterlijk opvatten. Het Boek van de Gulden Voorschriften kunnen we dan plaatsen in een periode van bijvoorbeeld meerdere eeuwen rond de 6e eeuw voor Christus, dat wil zeggen rond het leven van Gautama Boeddha. Verder kunnen we uit het citaat opmaken, dat de voorschriften niet alle afkomstig zijn uit dezelfde tijd. Het gaat blijkbaar om een compilatie, waarbij waarschijnlijk de voorschriften niet alle dezelfde auteur zullen hebben. Onderwerpen we deze passage verder aan wat "close reading", dan kunnen we zien, dat volgens HPB het Boek van de Gulden Voorschriften bestaat uit 90 korte verhandelingen die ze waarschijnlijk allemaal, of ten minste 51 hiervan, in de periode 18691887 heeft opgeschreven. Ten minste 39 van de verhandelingen had ze van buiten geleerd en deze 39 kende ze in 1889 nog uit het hoofd. Deze laatste vormen het basismateriaal voor de Stem. De periode 18691887 wordt gemarkeerd door de jaren waarin ze met mahātma M. door India en Tibet reisde, in 1868-1870.13 Uit brieven van HPB is overigens bekend dat M. inderdaad Telugu kende en gebruikte in woord en geschrift. 14 We kunnen verder een globale inschatting maken van de omvang van het Boek van de Gulden Voorschriften, hetgeen ons kan helpen bij ons onderzoek naar de brontekst van de Stem. De Stem bestaat uit in totaal 316 aforismen, in 759 regels. Het complete Boek moet dan ongeveer 316 / 39 × 90 = 729 aforismen tellen, of 759 / 39 × 90 = 1751 regels. Zo komen we op een zeer globaal geschatte grootte van tussen de 700 en 1800 verzen.
De structuur van de Stem
Het zou wellicht mogelijk moeten zijn, de 39 verschillende korte verhandelingen in de tekst te identificeren door de aforismen in te delen in groepjes met elk een gemeenschappelijk thema. Daarbij kunnen we in het achterhoofd houden dat één groepje gemiddeld 8 aforismen groot is, en dat we in totaal op 39 groepjes moeten uitkomen. Het blijkt bij lezing dat veel van deze korte verhandelingen gemakkelijk te onderscheiden zijn. Ze hebben inderdaad meestal de vorm van een verhandeling, met een duidelijk centraal thema en een zekere spanningsopbouw met begin en eind. Elk van de verhandelingen zou moeten overeenkomen met een aaneengesloten tekstgedeelte (een korte verhandeling) in de veronderstelde brontekst, en de technische termen die voorkomen in zo'n aaneengesloten gedeelte, zullen begrippen aanduiden die afkomstig zijn uit eenzelfde context, eenzelfde denkrichting. Systematisch werkend van de kleinst mogelijke groepjes naar grotere, tot we op 39 korte verhandelingen uitkomen, komen we dan tot het volgende overzicht.
In het tweede deel van dit artikel kunnen we verder ingaan op de thema's en de herkomst van de gebruikte technische termen, die we dan aan dit overzicht kunnen toevoegen.
Afdeling II: Analyse van de tekst van de StemIn het eerste deel van dit artikel hebben we de totstandkoming bekeken van De Stem van de Stilte, (hierna "de Stem"). We hebben vluchtig bekeken of er misschien sprake kan zijn geweest van een proces van geïnspireerd schrijven. Als we er vanuit gaan dat de tekst van de Stem niet het creatieve product is van de geest van HPB zelf, hetgeen ze ook stellig beweert, blijft de vraag prangen waar we dan precies naar een originele tekst zouden moeten zoeken. Om wat dichter te komen bij een antwoord op deze vraag kunnen we proberen in kaart te brengen waar de Stem eigenlijk over gaat, en waar de thema's en gebruikte terminologie vandaan komen. In het eerste deel hebben we vervolgens de tekst ingedeeld in 39 korte verhandelingen met elk een eigen afgerond thema. We kunnen nu de in de tekst gebruikte technische termen bij elk van deze stukken gaan invullen, met het doel een beter beeld te krijgen van de denkwereld van de Stem. Zo komen we tot het volgende overzicht, aan de hand waarvan we ons onderzoek kunnen voortzetten.
De technische termen
De denkrichtingen die we vinden in de laatste kolom, vallen grofweg uiteen in drie hoofdrichtingen, te weten het hindoeïsme, het boeddhisme, en "moderne theosofie". De theosofie had ten tijde van het schrijven van de Stem al enigszins een eigen vaktaal ontwikkeld, die vooral gebruik maakt van oosterse termen, maar waarin ook veel begrippen voorkomen uit de westerse filosofie (geest, ziel, Ego, etc.) en natuurwetenschappen (aether/ether, materie, fysiek, etc.) en het westerse occultisme (astraal, aura, etc.), en termen die door HPB of andere theosofen zijn geïntroduceerd. De begrippen Zelf en Ego worden nu ook buiten de theosofie veel gebruikt, bijvoorbeeld in bepaalde richtingen van de psychologie, maar de psychologie als wetenschap ontstond nagenoeg parallel met de theosofische beweging en daaraan konden theosofen ze dus nog niet hebben ontleend. Voor het gemak scharen we die termen hier onder de noemer "moderne theosofie". Overigens, de verwijzingen naar maçonnieke symbolen laten we hier buiten beschouwing, aannemende dat deze niet met de brontekst te maken kunnen hebben. Bij het verbinden van een denkrichting met een term moeten we, om een juist beeld te krijgen, bij elke term de meest ruime context kiezen waarbinnen de term voorkomt. Het hindoeïsme bijvoorbeeld, omvat een groot gebied waarbinnen veel verschillende subreligies bestaan. De meeste van de technische termen in de Stem zijn echter afkomstig uit het boeddhisme en omdat het boeddhisme is ontstaan in een samenleving waar op dat moment het hindoeïsme al in volle bloei was, vinden we de belangrijkste concepten uit het hindoeïsme ook terug in het boeddhisme. Het noordelijke boeddhisme, het mahāyāna-boeddhisme, is op zijn beurt weer ingebed in het boeddhisme als geheel en als we de structuur van deze steeds specifiekere denkrichtingen verder volgen, kunnen we op die manier een zo nauwkeurig mogelijk beeld vormen van de wereld achter de Stem. In de tabel met technische termen kunnen we in totaal dertien verschillende denkrichtingen onderscheiden, die hieronder met hun onderlinge relaties in een diagram zijn gezet.
Het hindoeïsme
Het mahāyāna-boeddhisme
Binnen het oorspronkelijke boeddhisme groeit rond 100 voor Christus een nieuwe impuls, de zogenaamde tweede wenteling van het wiel, waarin het begrip "leegte" (śūnyāta) centraal staat, en de relativiteit van dat wat vorm heeft. In de richting die hieruit voortkomt, vinden we de pāramitā's, die in de Stem voorkomen in fragment III als de sleutels tot de zeven poorten. Er ontstaat een nieuwe verzameling geschriften in het Sanskriet, de prajñāpāramitāliteratuur, waartoe onder andere de bekende Hart-sūtra en Diamant-sūtra behoren. Deze richting wordt pāramitāyāna genoemd. In het pāramitāyāna vinden we ook het ideaal om in verlichte toestand de verlossing van alle levende wezens te willen bewerkstelligen, alvorens definitief toe te treden tot nirvāṇa. Deze toestand wordt genoemd de bodhisattva-staat en wordt wel gezien als het belangrijkste concept binnen het mahāyāna. Dit is ook het belangrijkste begrip in de denkwereld van de Stem.
Mādhyamika en yogācāra
De yogācāra's stellen dat er geen basis van objectiviteit bestaat onafhankelijk van het bewustzijn van de waarnemer, maar dat de objectiviteit altijd in wisselwerking is met een subject. De absolute openiteit bestaat alleen waar die wisselwerking geheel ophoudt, in het universele zelf, door hen genoemd ālaya. Dit begrip ālaya is uniek voor het yogācāra-gezichtspunt. De mādhyamika's stellen daarentegen dat de absolute openiteit niet bestaat en dat we ons juist in het erkennen van de afwezigheid daarvan, bewust kunnen worden van de absolute openiteit. Objecten bestaan onafhankelijk van het bewustzijn van de waarnemer, maar bevatten geen absolute openiteit. De prasaṅgarichting binnen de mādhyamika zegt bovendien, dat bij analyse blijkt dat objecten helemaal niet bestaan, dus ook geen relatieve openiteit bevatten. De belangrijkste denker in de mādhyamika-richting is Nāgārjuna, geboren rond 200 na Christus, in de tegenwoordige Indiase deelstaat Andhra Pradesh. Hij wordt gezien als degene die het probleem van de absolute en relatieve openiteit binnen het mahāyānaboeddhisme onder de aandacht heeft gebracht. De belangrijkste denker in de yogācāra-richting is Asaṅga, naar schatting geboren rond 350 na Christus, in Puruṣapura, de tegenwoordige stad Peshawar in het noorden van Pakistan. Hij wordt algemeen gezien als de stichter van de yogācāraschool. Hij schreef onder andere de Yogācārabhūmi (een tekst over de stadia van het pad van bevrijding) en - geïnspireerd door Maitreya - de zogenaamde "vijf boeken van Maitreya" (Tibetaans byams pa'i chos lnga). Zowel Nāgārjuna als Asaṅga wordt genoemd in het voorwoord van de Stem. In het voorwoord wordt verder gezegd dat de Gulden Voorschriften "gewoonlijk worden bewaard op de altaren van de tempels, verbonden aan de centra waar de z.g. 'beschouwende' of Mahayana (Yogacharya) scholen gevestigd zijn." Dit lijkt een concrete aanwijzing te zijn, die ons op het spoor zou kunnen zetten van de vindplaats van de Voorschriften.
Vajrayāna
De allerhoogste Boeddha (ādibuddha) heeft in de verschillende vajrayāna-inwijdingsscholen verschillende benamingen, maar de namen Vajradhara (drager van de diamant) en Vajrasattva (de diamantziel) zijn uniek voor het vajrayāna. Vajradhara wordt door HPB verbonden met "eerste aspect" en Vajrasattva met het tweede. In de Stem treffen we Vajrasattva, de diamantziel, aan in de veertiende korte verhandeling. In datzelfde gedeelte vinden we een andere verwijzing naar het vajrayāna, namelijk in de yogi van de tijdcirkel ("Time's Circle"). Hierin ligt een oppervlakkige verwijzing naar Kālacakra (letterlijk tijdcirkel), de voornaamste van de vajrayāna-scholen. Het concept van de ādibuddha is met name aanwezig in de Kālacakra-cultus. Behalve deze en nog enkele andere oppervlakkige verwijzingen is er inhoudelijk niet veel van het vajrayāna terug te vinden in de tekst van de Stem. Geen van de korte verhandelingen heeft een thema dat specifiek is voor het vajrayānaboeddhisme. In De Geheime Leer zegt HPB over ādibuddha: [het] is een begrip dat werd gebruikt door Aryāsangha in zijn Geheime verhandelingen, en tegenwoordig wordt gebruikt door alle mystieke noordelijke boeddhisten.18 In de wetenschappelijke wereld is niets bekend over deze geheime verhandelingen van Asaṅga, waarover HPB spreekt, maar in de Indiase traditie wordt Asaṅga wel verbonden met de opkomst van het vajrayāna-boeddhisme, en wordt hij gezien als de auteur van de oudste tekst van de boeddhistische tantra's, de Guhjasamājatantra.19 Met betrekking tot het vajrayāna kunnen we verder nog opmerken, dat in De Geheime Leer de dhyāni-boeddha's een belangrijke plaats innemen. De oorsprong van dit concept lijkt te liggen in de Guhjasamājatantra.20 De dhyāni-boeddha's zijn echter zo populair geworden in het mahāyāna-boeddhisme, dat we eigenlijk niet kunnen zeggen dat het een concept is dat specifiek is voor het vajrayāna. In ons overzicht van de Stem komen deze slechts eenmaal voor (als "dhyāni's"). De term dhyāni-boeddha's, boeddha's van meditatie, is overigens vooral in gebruik is bij westerse onderzoekers. In plaats daarvan heten ze bijvoorbeeld in de Guhjasamājatantra de vijf tathāgatha's: zij die de stroom zijn overgegaan, oftewel bevrijding hebben bereikt. In de geschiedenis van de theosofie spelen de dhyāni-boeddha's een grote rol omdat ze de boeddhistische variant zijn van de zeven beginselen, die de ruggengraat vormen van het theosofische gedachtegoed dat onder andere via HPB door de mahātma's naar voren werd gebracht. We kennen ze ook als de zeven stralen, de hemelse mensen, en de dhyān-chohans, de primordiale zeven, goddelijke zonen, planeetgeesten, rectores mundi, elohim, aartsengelen, lha, manasaputra's, agniṣvāttā's, enzovoort. Dat het begrip van de dhyāni-boeddha's in de belevingswereld van de mahātma's een zekere rol moet hebben gespeeld, kunnen we ook afleiden uit de aanwijzing in HPB's beschrijving van de "tempel van de panchen lama", waar ze naast de aanwezigheid van mahātma M., ook de mantra van de vijf dhyāni-boeddha's noemt, "oṃ traṃ āḥ hrīḥ hūṃ".21 Afsluitend kunnen we over het vajrayāna-boeddhisme zeggen: de denkwereld van de Stem vooronderstelt het bestaan van de vajrayāna-traditie, maar is zelf niet een vajrayāna-geschrift.
Het Oostaziatische boeddhisme
In de Stem vinden we een aantal termen uit het Chinese boeddhisme. De spelling daarvan komt overeen met die in het werk van Edkins. Steeds gaat het echter om concepten die ook al in het eerdere boeddhisme voorkomen, afgezien van de jiào mén en zōng mén. Het Oostaziatische boeddhisme wordt verder alleen aangestipt. Er komen dus verder in de Stem geen concepten voor die specifiek zijn voor deze vormen van boeddhisme, maar het gebruik van de Chinese begrippen doet wel vermoeden dat het gedachtegoed van de Stem tenminste ook in China een voedingsbodem moet hebben gehad.
Afdeling III: De oorsprong van de StemIn deel I van dit artikel hebben we kort de totstandkoming van de Stem bekeken. In deel II hebben we de tekst aan een analyse onderworpen, op zoek naar de context van de thema's en technische termen uit de tekst. Aan de hand van onze bevindingen kunnen we nu toewerken naar een concreet idee over de oorsprong van de Stem.
Het werk van David Reigle
Een belangrijke ontdekking van Reigle was dat het boek van Kiu Te waarschijnlijk de serie boeken is die tegenwoordig bekend staat onder de naam "rgyud sde".26 Henk Spierenburg had deze ontdekking al eerder gedaan, maar het werk van Reigle maakte deze ontdekking pas alom bekend in de theosofische wereld.27 Het Tibetaanse rgyud sde betekent zoveel als "tantrieke boeken" en is een aanduiding van de tantrieke afdeling van de Tibetaansboeddhistische canon, de Kanjur en Tanjur. De boeddhistische tantra's (rgyud sde) vormen de voornaamste geschreven grondslag van het vajrayāna-boeddhisme. Deze werken zijn, voor zover ze bekend zijn aan de wetenschap, niet onmetelijk oud, maar worden toegeschreven aan de boeddha (Kanjur), of zijn commentaren zijn op de werken die worden toegeschreven aan de boeddha (Tanjur). In deze collectie komen dus in principe geen voor-boeddhistische teksten voor, in tegenstelling tot wat HPB in het voorwoord van de Stem zegt. Hoogstens bevatten sommige van deze werken veel voor-boeddhistische elementen, waaronder hindoeïstische en sjamanistische, die dan in het kader van het boeddhisme een nieuwe plaats krijgen. Nu zouden we kunnen denken dat de boeken van Dzyan en van de Gulden Voorschriften in de Tibetaans boeddhistische canon te vinden moeten zijn, maar zo eenvoudig is het nu ook weer niet. In de canon bevinden zich wat HPB de openbare werken van Kiu Te noemt en de boeken waaruit de door ons gezochte teksten afkomstig zijn worden volgens HPB blijkbaar onder dezelfde categorie, rgyud, gerangschikt, maar zijn geheim, en bevinden zich in het algemeen niet in de canon zelf. De belangrijkste tantra's die wel in de canon te vinden zijn, zijn geëxtraheerd uit grotere geschriften, de zogenaamde basistantra's (mūlatantra). Deze basis-tantra's zijn verborgen geschriften die bijvoorbeeld worden genoemd in oude historische overzichten. Er zijn soms citaten en in een enkel geval een heel hoofdstuk uit deze boeken te vinden in de openbare boeken van de canon. Op grond van één van deze citaten veronderstelt Reigle nu dat het boek van Dzyan de verborgen basistantra is van het belangrijkste werk van de rgyud-reeks, de Kālacakratantra. Hij ziet dit als "a very solid hypothesis", een goed verdedigbare stelling.28 In dat geval zou de Stem dus herkenbaar moeten zijn als een geschrift uit de sfeer van het vajrayāna.
Vajrayāna is niet de oude wijsheid
Bovendien omvatten de verslagen die we de lezer willen voorleggen de esoterische leerstellingen van de gehele wereld, sinds het begin van onze mensheid, en het boeddhistische occultisme neemt daarin zijn rechtmatige plaats in, maar niet meer dan dat. De geheime delen van de "Dan" of Janna ("Dhyan") van Gautama's metafysica - groots als ze schijnen te zijn voor diegenen die niet bekend zijn met de leerstellingen van de Wijsheidsreligie van de oudheid - zijn in werkelijkheid slechts een klein onderdeel van het geheel.31 Deze opmerkingen staan vrijwel aan het begin van De Geheime Leer. Blijkbaar was het zo belangrijk dit onderscheid te maken, dat ze haar magnum opus ermee begon. Door Sinnett's titel kon het misverstand worden gewekt dat de opvatting van de Mahātma's identiek was met de tantriek van het vajrayāna, en dat zou voor de ontluikende theosofische beweging negatieve consequenties kunnen hebben gehad. De identificatie van theosofie met de esoterie van een bestaande religie zou in de kiem het einde van de theosofische beweging kunnen zijn geweest, die immers "geen religie hoger dan waarheid" erkent. Deze consequenties zijn tot op heden dus afgewend. Verder zegt HPB, over de openbare delen van Kiu Te: Strikt gesproken zouden deze vijfendertig boeken "De gepopulariseerde versie van de geheime leer" moeten worden genoemd, vol mythen, misleidingen en fouten.32 Het getal van 35 boeken is niet helemaal helder, maar wel duidelijk is dat ze hier spreekt over boeken van de rgyudafdeling van de Tibetaanse canon. Wat ze beweert klopt in elk geval in zoverre, dat de tantrieke werken in de Kanjur meestal verkorte, vereenvoudigde of versluierde versies zijn van de basistantra's. De verkorte ("laghu") Kālacakratantra noemt ze bijvoorbeeld "half-esoterisch". HPB verwijst in één van haar artikelen ook naar de inhoud van "geheime gedeelten" van de Kālacakratantra. Tot deze geheime informatie had ze blijkbaar toegang en ze kon deze dus vergelijken met de verkorte openbare rgyud-werken.33 We kunnen ons overigens afvragen waarom HPB expliciet zou verwijzen naar deze geheime informatie, en deze basistantra ook elders schijnbaar achteloos noemen, terwijl dit werk vervolgens het hele raamwerk zou vormen van deel I en II van De Geheime Leer, waar over de herkomst juist heel geheimzinnig wordt gedaan. Misschien is hier wel een reden voor te bedenken, maar het geeft toch te denken.
De verdwenen stanza's uit het derde deel van De Geheime Leer
Ik heb een enorm Inleidend Hoofdstuk klaar, of Woord vooraf, Proloog, noem het maar zoals je wilt; alleen maar om de lezer te laten zien dat de tekst, zoals die is, met aan het begin van elk gedeelte een bladzijde met een vertaling uit het Boek van Dzyan en het Geheime Boek van "Maytreya Buddha" Champai chhos Nga (in proza, niet de bekende vijf boeken in verzen, die een dwaalspoor zijn) geen verzinsel zijn. 35 De onduidelijkheid van deze passage daargelaten, is er blijkbaar naast de vertalingen uit het boek van Dzyan, die in deel I en II van De Geheime Leer zijn verschenen, bij de totstandkoming van De Geheime Leer ook nog sprake geweest van vertalingen uit een ander geheim werk, "de vijf boeken van Maitreya" (Tibetaans byams pa'i chos lnga). De vijf openbare werken in verzen, waarover wordt gesproken, zijn vijf bekende werken van Asaṅga, die hij volgens de overlevering heeft geschreven onder inspiratie van Maitreya. HPB's vertalingen uit de vijf geheime boeken zijn echter niet als zodanig in De Geheime Leer te vinden, ook niet in het postuum gepubliceerde derde deel, dat wel het genoemde enorme "Introductory Chapter" bevat, maar geen raamwerk van "stanza's". Caldwell rept er verder in zijn artikel niet over waar deze vertalingen kunnen zijn gebleven, en uiteraard kunnen ze ook eenvoudig door HPB zijn weggegooid. HPB schreef De Geheime Leer echter in opdracht van Mahātma M., en het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat ze met deze op geïnspireerde wijze geschreven teksten onachtzaam zou zijn omgegaan.
Leadbeater over de oorsprong van de Stem
Hij schrijft, zonder reserve, dat de brontekst van de Stem aanvankelijk een soort notitieboek is geweest van Asaṅga, de schrijver van de Yogācārabhūmi, waarin hij de leringen uit de universele symbolentaal voor het eerst in woorden opschreef. Na diens dood hebben enkele van zijn leerlingen hieraan nog uittreksels van zijn toespraken toegevoegd, resulterend in de negentig "korte verhandelingen".37 Dit lijkt dus de analyse van de inhoud (zie deel II) geheel te bevestigen: de denkwereld die we in de Stem aantreffen zou, als we Leadbeater in zijn beschouwing zouden volgen, inderdaad die van Asaṅga en zijn volgelingen moeten zijn. Van de leerlingen van Asaṅga was, volgens Leadbeater, Alcyone met name degene die in zijn voorlaatste leven de tekst van de toespraken heeft voorbereid, en deze heeft gebundeld onder de titel Boek der Gulden Voorschriften. Alcyone is in het werk van Leadbeater niet de echte naam van deze leerling, maar een codenaam die verbonden is met diens reïncarnerende Zelf. Wij kennen hem in zijn afgelopen incarnatie onder de naam Jiddu Krishnamurti. Ook de bodhisattva Asaṅga (codenaam Uranus) zouden we in de geschiedenis van de Theosophical Society in zijn navolgende incarnatie onder een andere naam kennen, namelijk als de Mahātma DK.38 Lezen we over Alcyone in Besant en Leadbeater's Lives of Alcyone, dan vinden we daar een vergelijkbaar relaas over Uranus en Alcyone in hun incarnaties als Asaṅga en zijn leerling.39
De bodhisattva Asaṅga zelf zou dus, volgens de overlevering, evenals Krishnamurti in onze tijd, geïnspireerd zijn geweest door de bodhisattva Maitreya.
Eindconclusie
Het genre van de Stem is niet dat van een typisch vajrayāna-geschrift, maar eerder van een stadia-van-het-pad-geschrift, waar de drie fragmenten elk een fase van het pad beschrijven, met elk een eigen fundamentele opgave. Als we niet beter zouden weten zouden we misschien kunnen denken in de richting van een geschrift van Asaṅga zelf, zoals zijn Yogācārabhūmi, waar ook vajrayāna-elementen inzitten, en dat ook in een Chinese vertaling bekend is geworden. In dat geschrift komen bijvoorbeeld ook de drie hallen (vergelijk de 4 dhyāna's) van fragment I en de zeven poorten (vergelijk de 6 pāramitā's) van fragment III van de Stem uitgebreid aan de orde. De omvangrijke Yogācārabhūmi is echter in grootte niet te vergelijken met het Boek der Gulden Voorschriften dat, zoals we hebben geprobeerd in te schatten, slechts ongeveer tussen 700 en 1800 verzen zou omvatten. Verder is de Yogācārabhūmi (inderdaad) geen onderdeel van de rgyud- afdeling van de canon, maar van de mdo- of soetra-afdeling. We hebben nu twee verschillende suggesties over de oorsprong van de Stem, namelijk de visie die we hierboven hebben ontvouwd naar aanleiding van het artikel van Caldwell, en de visie van Leadbeater: 1. de Stem bestaat uit citaten van Asaṅga's geheime "vijf boeken van Maitreya" in proza, en 2. de Stem bestaat voornamelijk uit toespraken van Asaṅga, verzameld door zijn leerlingen. Deze twee visies zijn weliswaar niet vergelijkbaar in bewijskracht, maar komen qua inhoud opmerkelijk dicht bij elkaar. Is de bron van de Stem nu werkelijk hetzij een geschrift van Asaṅga, hetzij een tekst die in zijn directe nabijheid is ontstaan? Ten minste kunnen we stellen dat dit het overdenken waard is, maar we hebben daarvoor uiteraard geen onomstotelijk bewijs. Wat niet verklaard wordt door de visie van Leadbeater is, dat het Boek van Gulden Voorschriften, zoals we in deel I hebben gedestilleerd uit HPB's voorwoord, een compilatie zou moeten zijn uit verschillende tijdsperioden. Het verband met de yogācāra-richting en zijn stichter, de bodhisattva Asaṅga, lijkt echter wel zeer duidelijk aanwezig. Dit geeft ons aan in welke bredere context we dit bijzondere theosofische geschrift zouden kunnen zien, hetgeen ons zou kunnen brengen tot meer begrip van de boodschap van HPB en van de werkelijke bedoeling van de theosofische beweging. Noten
(Verwijzingen naar De Geheime Leer zijn in de vorm: SD (Secret Doctrine) deel, paginanummer van de eerste Engelse editie van 1888, bijvoorbeeld "SD I, 573".)
1. Spierenburg, H.J., De Stem van de Stilte: een onderzoek naar de bronnen, in Theosofia, 1989, p. 149-156
Aanhangsel: overzicht van de technische termen uit de StemEr zijn al veel boeken en artikelen geschreven over De Stem van de Stilte, die zich voornamelijk richten op de uitleg van de tekst. De hedendaagse standaardschrijfwijze van de technische termen echter, stelt de lezer in staat zelf op zoek te gaan naar hun betekenis in de hedendaagse literatuur, zoals moderne woordenboeken. Alle termen zijn in het artikel zoveel mogelijk in het Sanskriet weergegeven, behalve waar gangbare Nederlandse woorden (nld) bestaan (bv. Boeddha, Sanskriet) en waar dat overduidelijk niet van toepassing is. Sanskriet (san) en Pāḷi (pli) zijn weergegeven volgens de International Alphabet of Sanskrit Transliteration (IAST)-transliteratiestandaard. Het Tibetaans (tib) is volgens Wylie, Chinees (chin) volgens pīnyīn en Oudgrieks (grc) vrij volgens de zogenaamde wetenschappelijke transliteratie. Een volledig overzicht van de geaccentueerde letters: ā is een lange a in lat. en skt.; ḍ is een retroflexe d in skt.; ē in gr. en lat. een lange e-klank, de gr. η; ḥ in skt. een sterk geaspireerde afgebroken h; ī is een lange i in skt., in lat. een lange i; ḷ is de retroflexe l in skt.; ṃ is een nasale m in skt. (als n in ned. winkel); ṇ is een retroflexe n in skt.; ṅ in skt. de klank ng, als in ned. gang ; ō in gr. en lat. een lange o, de gr. ω; ṛ is de retroflexe r in skt.; ś in skt. is een palatale sj-klank; ṣ in skt. een sj-klank in de keel; ṭ is een retroflexe t in skt.; ū is een lange u (oe) in skt., in lat. een lange u. De retroflexe letters worden uitgeproken met de tong naar teruggebogen tegen het gehemelte. Chinees: bijv. a met 1e toon ā, met 2e toon á, met 3e toon ǎ, met 4e toon à. Sleutel: volgnr. term uit de Stem; orthografie (indien versch.); taalcode (ISO 639-2)
1. Adi-Boeddha; Ādibuddha; san |
Dit artikel is gepubliceerd in drie delen in Theosofia jg. 101, nrs. 4-6: Deel 1, Deel 2, Deel 3. Tabel 1 in PDF formaat: 39 korte verhandelingen en in Excel formaat: weer 39 korte verhandelingen. Nederlandse online editie van de Stem. Site of the Eastern Tradition Research Institute of David and Nancy Reigle. The ISO 639-2standard for language codes. (standardization authority)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
© 2008-2010 - Ingmar de Boer - Updated: 01/21/10 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||