Astrologen doen maar wat

From Ingmar de Boer
Jump to: navigation, search

Verschenen in Urania jg. 89 nr. 4 (okt. 1995)


In De Groene Amsterdammer van 17 mei 1995 verscheen een artikel van Rob Nanninga, secretaris van de Stichting Skepsis, met als titel "De sterren zwijgen". [1] Daarin wordt beschreven hoe een aantal Nederlandse astrologen, die deelnamen aan een door hem georganiseerd voorspellend onderzoek, schromelijk faalden. De Stichting Skepsis is een stichting voor wetenschappelijk onderzoek van paranormale verschijnselen, die zich vooral onderscheidt door het naar buiten brengen van een kritische kijk op die verschijnselen. Hierbij een aantal opmerkingen over dit onderzoek.

De test

Het onderzoek was als volgt opgezet. Vijftig astrologen werden werden uitgenodigd deel te nemen aan een test, waarbij ze de geboortegegevens kregen van zeven proefpersonen. Daarnaast kregen de astrologen de antwoorden die de proefpersonen hadden gegeven op 25 vragen over beroep, hobbies, interesses, persoonlijkheid, relaties enzovoorts, alsmede een aantal data van belangrijke gebeurtenissen in hun leven. Ook kregen zij nog de antwoorden van de proefpersonen op 24 vragen uit The Berkeley Personality Profile, een erkende persoonlijkheidsvragenlijst, en nog de antwoorden op drie aparte vragen over de jeugd van de proefpersonen. De astrologen moesten de antwoordenlijsten bij de juiste horoscopen passen. Voor wie dit zou lukken had Nanninga een beloning uitgeloofd van f 5000,-. Een leuke som geld, behalve wanneer je die som met zijn vijftigen moet delen natuurlijk. Gelukkig werden maar 44 oplossingen ingezonden.

De uitslag

De uitslag van de test was door de astrologen vooraf gunstig ingeschat. De meeste deelnemers dachten minimaal vijf antwoordenlijsten aan de juiste horoscoop te hebben gekoppeld. De uitslag zal dan ook voor deze deelnemers een flinke teleurstelling zijn geweest, want er waren 22 deelnemers die geen enkele treffer hadden. De hoogste scoorder had slechts drie treffers. Dan waren er negen deelnemers met twee treffers en twaalf met één treffer. Nanninga kon het geld in zijn zak houden.

Astro-anarchie?

Wat met name interessant is aan de uitslag van het onderzoek is het feit dat de astrologen volgens Nanninga niet allemaal in dezelfde richting denken. Je zou denken dat de astrologen in zekere mate dezelfde conclusies zouden trekken uit de aangeboden horoscopen en dat ze daarom allemaal dezelfde fouten zouden maken. Dit was echter niet het geval. In eerder, groter opgezet onderzoek bleek dit ook al. Eigenlijk is dit niet verwonderlijk, gezien de grote hoeveelheid verschillende astrologische benaderingen en technieken die door astrologen worden gehanteerd. Deze benaderingen gaan in het algemeen uit van impliciete, soms ook van expliciete mensbeelden. Jan van Rooij zegt in zijn boek "Astrologie op de weegschaal": "De betekenistoekenning aan tekens, planeten en huizen is niet altijd consistent, het taalgebruik is slordig, er lopen verschillende opvattingen over persoonlijkheid door elkaar heen, astrologen staan niet kritisch genoeg tegenover hun eigen ervaringen en opvattingen...". [2] In dit overigens zeer opbouwend kritische boekje wordt een pleidooi gehouden voor het kritisch bekijken van de astrologische duidingsmethodiek, als er al sprake is van enige methodiek. In de WvA-duidingsmethodiek is in elk geval rekening gehouden met een astronomische en psychologische consistentie, waardoor sommige technieken bij de WvA geen weerklank hebben gevonden. Het huizensysteem van Placidus is kosmografisch gezien een wangedrocht, maar het wordt door astrologen over de gehele wereld het meest gebruikt. Er kunnen zelfs geen horoscopen van geboorten boven de noord- en beneden de zuidpoolcirkel mee worden uitgerekend. Hoe kunnen de astrologen nu eigenlijk verwachten dat ze door de wetenschap serieus genomen worden, als ze niet eens bereid zijn na te denken over de technieken die ze gebruiken, en nog erger, als er goede argumenten zijn om een techniek te verwerpen, deze tegen beter weten in blijven hanteren? Pas op het moment dat wetenschappelijke sceptici toenadering zoeken en een onderzoek gaan doen, lopen deze volkomen naïeve, ondoordachte methodes tegen de lamp en ontstaat er een sfeer van paniek in de astrologische wereld.

Het pantymodel

De bekende astroloog Jan Kampherbeek keerde de astrologie de rug toe na negatieve uitkomsten van een onderzoek, evenals Rudolf Smit en Geoffrey Dean. En er zijn er meer. Astrologen die de astrologie geleerd hebben uit boekjes van andere astrologen, die uiteindelijk bijna volledig zijn terug te voeren op Ptolemaeus' Tetrabiblos. De nieuwe technieken die de laatste jaren zijn "ontdekt", zoals de midpoints, de harmonics en de komeet Cheiron, maken de horoscoop nog meer tot een ongestructureerde "soep". Een maximale hoeveelheid te interpreteren factoren in combinatie met een minimale hoeveelheid duidingsregels maken de horoscoop tot een "panty die iedereen past", zoals Nanninga zegt in De Groene.

Skepsis

De houding van de sceptici is heden ten dage heel anders dan een tiental jaren geleden. Er zijn klaarblijkelijk meer sceptici die de astrologie graag willen onderzoeken in plaats van deze zonder meer te verwerpen. De bekende astronoom Prof.Dr. C. de Jager, de huidige voorzitter van de Stichting Skepsis, ging nog kort geleden in het openbaar tekeer tegen de astrologie op een manier die in ongefundeerdheid niet onderdeed voor het geschrift van Bart J. Bok en Lawrence E. Jerome, waar 192 wetenschappers - onder wie negentien Nobelprijswinnaars - ooit hun handtekeningen onder hebben gezet. [3] Nu worden gespreksgroepen georganiseerd waarin astrologen aan sceptici uitleggen, wat ze precies doen als ze een horoscoop duiden. Daarbij blijkt natuurlijk dat ze dat zelf niet altijd precies weten.

Theorievorming

Toch zullen dit soort gesprekken het begin zijn van beter onderzoek en hopelijk ook van betere astrologiebeoefening. Vaak werd een onderzoek gestart met een of andere traditionele astrologische stelling en een berg horoscopen in de ene hand en een potlood in de andere: na enig turven en een statistische toets was het onderzoek afgerond. Over de betekenis van het resultaat werd niet verder nagedacht. Nu astrologen en sceptici in de gaten hebben dat astrologen niet allemaal hetzelfde te werk gaan en inzien dat het wichelen een zeer complex mentaal en intuitief proces is, wordt langzamerhand meer uitgegaan van een scherp omschreven, eenduidige hypothese. Daarbij wordt steeds vaker de gehele horoscoop in beschouwing genomen in plaats van slechts een deel. Duidingen van delen van de horoscoop hebben geen enkele waarde. De horoscoop is immers een systeem van symbolen, waarbij elk symbool alleen betekenis heeft binnen het kader van het geheel. Nergens is in de horoscoop een directe referentie te vinden naar de concrete werkelijkheid. Alleen door het geheel van de horoscoop te vergelijken met het geheel van de werkelijkheid waarop we de horoscoop van toepassing achten, kunnen we tot een zinvolle uitspraak komen.

Welke vragenlijst

Bij Nanninga is gevoel van triomf niet geheel afwezig, als hij mededeelt dat de sterren nu toch echt hebben laten zien dat ze ons niets te vertellen hebben. Dat is ook eigenlijk niet ten onrechte, zolang het onderzoek dat hij doet maar deugt en we er ons voordeel mee kunnen doen. Er is natuurlijk op dit onderzoek nog heel wat aan te merken. Astrologen klaagden in het verleden dat psychologische vragenlijsten niet geschikt zouden zijn voor astrologisch onderzoek. Ze wilden zelf de vragenlijsten van tevoren goedkeuren. Dat is in dit onderzoekje netjes gebeurd. De astrologe Lea Manders heeft de vragen vooraf goedgekeurd. Daarnaast zijn nog enkele vragen toegevoegd uit The Berkeley Personality Profile. Dit was niet alleen onnodig, maar ook onzinnig. Vragen uit een psychologische vragenlijst zijn in geen enkel relevant opzicht verschillend van andere vragen. Het verschil tussen het gebruik van een psychologische vragenlijst en een andere, die door astrologen is samengesteld, is vooral dat er bij de eerstgenoemde een gestandaardiseerde manier van evalueren hoort. Een dergelijke lijst zou juist heel geschikt zijn voor gebruik bij astrologisch onderzoek. De antwoorden op vragen geven meestal maar in zeer beperkte mate iets weer over de persoon die ze beantwoordt. De gestandaardiseerde scores geven in elk geval nog aan wat de vragen precies wel en niet over iemand zeggen. Deze scores worden in het onderzoekje van Nanninga juist weggelaten, waarmee het nut van de betreffende vragen vervalt.

Matchingonderzoek

Het lijkt misschien heel gemakkelijk om zeven horoscopen bij zeven persoonsbeschrijvingen te zoeken, maar in werkelijkheid is dat heel moeilijk. Dat ligt niet uitsluitend aan de astroloog, maar ook aan het feit dat het menselijk functioneren complex is en dat elke beschrijving, gegeven door de persoon zelf, een vertekende en vervaagde weergave van die complexe veelenigheid geeft. De vage beelden die mensen geven van zichzelf, zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Nanninga heeft zijn test wel voorgelegd aan een paar sceptici, die overigens ongeveer even goed scoorden als de astrologen, maar hij heeft niet gekeken in hoeverre psychologen bijvoorbeeld in staat zouden zijn dergelijke beschrijvingen van personen te verbinden met hun antwoorden op psychologische vragenlijsten. In het algemeen blijkt dat het koppelen van zeven persoonsbeschrijvingen aan zeven antwoordenlijsten een opgave is, die niet makkelijk is te volbrengen. Ik begrijp wel dat Nanninga bang was zijn beloning daadwerkelijk te moeten uitreiken, maar voor het onderzoek was het beter geweest om met hoogstens drie of vier horoscopen te werken.

Afleiders

De antwoorden die gegeven worden op de vragen, zijn voor een groot gedeelte "afleiders". Dat was misschien van tevoren niet helemaal te voorzien. Een vraag luidt bijvoorbeeld: "Wat bekritiseren anderen in je?". Dit lijkt geen rare vraag. In het dagelijks leven kunnen we deze vraag stellen zonder een onzinnig antwoord te verwachten. Maar een vragenlijst is niet het dagelijks leven. Wat doen we met antwoorden als: "Ik denk teveel aan mezelf (volgens sommigen)", of: "onduidelijkheid, eigenwijsheid", "ongeduld", "koppigheid", "onattent". Moet je deze informatie serieus nemen? Ik zou deze informatie zonder meer weggooien. Zulke oppervlakkige antwoorden zeggen niets wat eenduidig is terug te voeren op de horoscoop. In een gesprek met een cliënt filter je deze informatie door bijvoorbeeld je interactie met de cliënt, en je probeert op een niveau te komen, waar stoplappen en weerpraatjes geen dienst meer doen. Clichématige vragen roepen clichématige antwoorden op, waarbij nauwelijks bewuste activiteit komt kijken. De informatie die je daaraan kunt ontlenen, is volkomen willekeurig.

Ten slotte

We kunnen een onderzoek zoals dat van Nanninga beschouwen als een aanmoediging verder te gaan in het reconstrueren van een gedeeltelijk verloren gegane kennis omtrent het verband tussen micro- en macrokosmos. Veel astrologen lijken nog steeds te streven naar verbreding van hun technieken in plaats van naar een betere fundering ervan. Misschien zou de komst van het betere wetenschappelijke onderzoek deze ontwikkeling tot staan kunnen brengen, en dat is, dunkt mij, alleen maar toe te juichen.

Noten

1. Rob Nanninga, "De sterren zwijgen", in weekblad De Groene Amsterdammer, 17 mei 1995

2. J.J.F. van Rooij, "Astrologie op de weegschaal, een kritische beschouwing over de astrologie als alternatieve persoonlijkheidstheorie", Swets & Zeitlinger BV, Amsterdam, 1990

3. Bart J. Bok en Lawrence E. Jerome, "De mythe van de astrologie", Het wereldvenster, Baarn, 1976


Lees het artikel van Rob Nanninga, De astrotest, uit Skepter jg. 8 nr. 2 (juni 1995) op de site van Stichting Skepsis.